
Fibromyalgie: een grote genetische ontdekking die ons beeld van de ziekte verandert
Een nieuw onderzoek onder meer dan 2,5 miljoen mensen geeft fibromyalgie een veel duidelijker biologisch gezicht.
Als je fibromyalgie hebt, weet je waarschijnlijk hoe moeilijk het soms is om uit te leggen wat er precies met je lichaam gebeurt.
Je hebt pijn. Vermoeidheid. Een slechte nachtrust. Soms brain fog. Je kunt overprikkeld raken en je lichaam kan reageren alsof gewone prikkels veel intenser binnenkomen dan bij andere mensen.
Maar waar komt dat allemaal vandaan?
Jarenlang bleef daar veel onduidelijkheid over bestaan.
Fibromyalgie werd vaak gezien en behandeld vanuit de reumatologie, omdat mensen zich vooral presenteren met wijdverspreide pijn en omdat andere reumatische aandoeningen moeten worden uitgesloten. Tegelijkertijd groeide het inzicht dat fibromyalgie veel te maken heeft met de manier waarop het centrale zenuwstelsel pijn en andere prikkels verwerkt.
Nu is er een groot nieuw onderzoek dat daar een belangrijke genetische laag aan toevoegt.
Een onderzoek van enorme omvang
Op 28 juli 2026 verscheen in het wetenschappelijke tijdschrift Nature Medicine een onderzoek naar de genetische achtergrond van fibromyalgie.
De onderzoekers analyseerden de genetische gegevens van maar liefst 2.563.755 mensen, onder wie 54.629 mensen met fibromyalgie. Daarmee is dit een van de grootste genetische onderzoeken naar fibromyalgie tot nu toe.
De onderzoekers vonden 26 genetische gebieden die samenhangen met het risico op fibromyalgie.
Dat is belangrijk.
Want hoewel al langer werd gedacht dat fibromyalgie voor een deel erfelijk is, waren de specifieke genetische factoren tot nu toe maar moeilijk te vinden.
Nu zijn er concrete genetische aanknopingspunten.
De hersenen en het zenuwstelsel staan centraal
Misschien wel de belangrijkste bevinding van het onderzoek is waar de genetische signalen terechtkomen.
De erfelijke component van fibromyalgie bleek sterk verrijkt in hersenen en neurale celtypen.
De onderzoekers concluderen op basis daarvan dat er robuust genetisch bewijs is voor fibromyalgie als een aandoening waarbij het centrale zenuwstelsel een belangrijke rol speelt.
Dat sluit aan bij wat we al langer weten over fibromyalgie als een vorm van zogenaamde nociplastische pijn.
Bij nociplastische pijn is er niet noodzakelijk sprake van beschadiging of ontsteking die de pijn volledig verklaart. Het probleem zit voor een belangrijk deel in de manier waarop het zenuwstelsel pijnsignalen verwerkt.
Het zenuwstelsel kan als het ware gevoeliger worden.
Prikkels die normaal gesproken goed te verdragen zijn, kunnen daardoor veel sterker binnenkomen.
Dat betekent niet dat de pijn minder echt is.
Integendeel.
Het betekent dat we steeds beter beginnen te begrijpen waarom iemand zulke echte en soms overweldigende klachten kan ervaren zonder dat daar op een scan of in een bloedtest één duidelijke beschadiging tegenover staat.
Fibromyalgie is niet simpelweg ‘genetisch bepaald’
Dat is een belangrijke nuance.
Het onderzoek laat zien dat er een genetische kwetsbaarheid bestaat. Het betekent niet dat je DNA bepaalt of je wel of geen fibromyalgie krijgt.
Fibromyalgie is complex.
Genetische aanleg kan onderdeel zijn van het verhaal, maar daarnaast spelen waarschijnlijk ook andere biologische en omgevingsfactoren een rol.
Dat past bij wat veel mensen met fibromyalgie zelf ervaren.
Soms lijkt het alsof hun lichaam na een bepaalde periode van langdurige belasting, ziekte, stress of andere gebeurtenissen niet meer terugkeert naar de oude manier van functioneren.
Dat betekent overigens niet dat stress of trauma dé oorzaak van fibromyalgie is.
Het nieuwe onderzoek laat vooral zien dat er een biologische kwetsbaarheid bestaat waarop verschillende factoren kunnen inwerken.
En dat vind ik een belangrijk verschil.
Een opvallende link met Huntington
Een van de meest opvallende bevindingen heeft betrekking op het HTT-gen.
Dat is het gen dat we kennen uit de ziekte van Huntington.
De sterkste genetische associatie met fibromyalgie in dit onderzoek werd gevonden bij een variant in het HTT-gen. De onderzoekers vonden daarnaast een genetische associatie in de buurt van GPR52, een regulator van HTT die al wordt onderzocht als mogelijk aangrijpingspunt bij Huntington.
Dat klinkt misschien spectaculair.
Maar het is belangrijk om hier niet de verkeerde conclusie uit te trekken.
Fibromyalgie is geen vorm van Huntington.
De genetische variant die in verband werd gebracht met fibromyalgie is iets anders dan de bekende CAG-repeat-expansie die de ziekte van Huntington veroorzaakt. De fibromyalgievariant ligt bovendien op een heel andere plek in het HTT-gen.
De betekenis van deze ontdekking zit daarom niet in een directe relatie tussen de twee ziekten.
Het interessante is dat een gen dat zo’n belangrijke rol speelt in de neurologie opnieuw naar voren komt in genetisch onderzoek naar fibromyalgie.
Dat kan nieuwe onderzoeksvragen opleveren.
En misschien is dit interessant voor toekomstige medicijnen
Dit vind ik persoonlijk een van de spannendste aspecten van het onderzoek.
Onderzoekers zoeken natuurlijk niet alleen naar verklaringen. Uiteindelijk willen ze weten of ze met die kennis iets kunnen doen.
In dit onderzoek worden HTT/GPR52 en CELF4 genoemd als mogelijke therapeutische aangrijpingspunten voor toekomstig onderzoek. GPR52 is al onderwerp van geneesmiddelenonderzoek bij Huntington, terwijl er rond CELF4 al onderzoek loopt in het kader van chronische pijn.
Dat betekent nadrukkelijk niet dat er nu een medicijn tegen fibromyalgie is.
Daar zijn nog veel stappen voor nodig.
Een genetische associatie vinden is het begin. Vervolgens moeten onderzoekers begrijpen wat zo’n genetische verandering precies doet, hoe dat biologische proces werkt en of het veilig en effectief beïnvloed kan worden.
Maar het verschil is wel dat er nu concrete biologische aangrijpingspunten zijn om verder te onderzoeken.
En dat vind ik hoopgevend.
En hoe zit het dan met Hashimoto?
Toen ik dit onderzoek las, moest ik ook meteen denken aan iets anders.
De combinatie van fibromyalgie en Hashimoto komt opvallend vaak voor.
Dat is niet alleen iets wat mensen zelf opmerken. Een grote populatiestudie uit 2026, waarin 9.232 mensen met fibromyalgie werden vergeleken met 46.160 controles, vond Hashimoto bij 13,3% van de mensen met fibromyalgie tegenover 10,0% van de controlegroep. De onderzoekers vonden ook andere endocriene aandoeningen vaker bij mensen met fibromyalgie.
Ook eerder onderzoek heeft al gewezen op een verband tussen schildklierauto-immuniteit en fibromyalgie.
Maar hier wordt het juist interessant.
Het nieuwe genetische onderzoek naar fibromyalgie levert geen bewijs dat fibromyalgie primair een auto-immuunziekte is. De genetische erfelijkheid bleek juist vooral verrijkt in hersenweefsel en neurale celtypen. De auteurs sluiten een rol voor immuun- of neuro-immuunprocessen overigens niet volledig uit.
Dus we weten nog niet hoe we de combinatie van fibromyalgie en Hashimoto precies moeten begrijpen.
Misschien zijn het twee aandoeningen die bij sommige mensen toevallig samen voorkomen.
Misschien zijn er gedeelde biologische kwetsbaarheden.
Misschien spelen genetische, hormonale, immuun- en neurologische factoren allemaal op elkaar in.
Op dit moment weten we dat eenvoudigweg nog niet.
Maar juist nu we steeds meer leren over de genetische en neurologische kanten van fibromyalgie, vind ik het een interessante vraag om open te houden.
Van klachten naar mechanismen
Misschien is dat uiteindelijk wel de grootste verandering die dit onderzoek kan brengen.
We weten al heel lang wat mensen met fibromyalgie ervaren.
Maar steeds vaker kunnen we vragen:
Waardoor gebeurt dit?
Waarom raakt het zenuwstelsel zo gevoelig?
Waarom ervaren sommige mensen pijn veel sterker?
Waarom komen fibromyalgie, migraine, prikkelbare darm, slaapproblemen en andere klachten zo vaak samen voor?
En waarom lijkt het zenuwstelsel bij sommige mensen zo sterk te reageren op lichamelijke én emotionele belasting?
Het nieuwe onderzoek vond inderdaad sterke genetische verbanden tussen fibromyalgie en verschillende andere aandoeningen, waaronder chronische pijn, prikkelbare darm en posttraumatische stress.
Dat betekent niet dat deze aandoeningen dezelfde ziekte zijn.
Het kan wel betekenen dat er gedeeltelijk gedeelde biologische kwetsbaarheden bestaan.
En precies daar begint interessante wetenschap.
Wat betekent dit voor mensen met fibromyalgie?
Vandaag verandert er door dit onderzoek nog niets aan de behandeling.
Er is geen nieuw fibromyalgie-medicijn beschikbaar gekomen.
Maar wetenschappelijke vooruitgang begint vaak op deze manier.
Eerst wordt zichtbaar dat er een patroon is.
Dan worden genetische gebieden gevonden.
Daarna worden mogelijke biologische mechanismen onderzocht.
En pas daarna kan worden onderzocht of je zo’n mechanisme ook daadwerkelijk met een behandeling kunt beïnvloeden.
Dat kan lang duren.
Sommige onderzoekslijnen zullen doodlopen.
Andere kunnen onverwacht belangrijk blijken.
Maar voor mij voelt het verschil groot.
We hebben nu niet alleen meer een verzameling symptomen.
We hebben steeds meer biologische aanwijzingen.
En voor mij persoonlijk?
Ik leef al tientallen jaren met fibromyalgie.
Daarom raakte dit onderzoek me.
Niet omdat ik nu denk dat er ineens een wondermiddel om de hoek ligt.
Maar omdat er iets verandert in het verhaal.
Er wordt steeds minder alleen gekeken naar mijn pijn.
Er wordt gekeken naar mijn zenuwstelsel.
Naar genetische kwetsbaarheid.
Naar hersenen en zenuwcellen.
Naar biologische mechanismen.
Naar mogelijke aangrijpingspunten voor toekomstige behandelingen.
Ik ben 58.
Ik weet niet of ik ooit een medicijn zal meemaken dat specifiek ontwikkeld is op basis van deze nieuwe kennis.
Maar ik durf inmiddels wel iets te denken wat ik misschien jaren geleden niet had durven denken:
misschien komt er nog iets.
Misschien niet morgen.
Misschien niet over vijf jaar.
Misschien komt er niet één medicijn voor iedereen met fibromyalgie, maar verschillende behandelingen voor verschillende biologische mechanismen.
We weten het nog niet.
Maar er zijn nieuwe vragen.
Nieuwe aanknopingspunten.
Nieuwe onderzoekslijnen.
En misschien is dat precies hoe verandering begint.
Na tientallen jaren fibromyalgie vind ik het bijzonder om mee te maken dat wetenschappers steeds dieper proberen te begrijpen wat er werkelijk gebeurt.
Niet om mijn klachten te verklaren alsof ze tussen mijn oren zitten.
Maar om te ontdekken wat er in mijn lichaam gebeurt.
En misschien mag ik daar voorzichtig hoop uit halen.
Er komt altijd iets.
Vertrouw daar maar op.
Bron
Kerrebijn, I., Bjornsdottir, G., Arbabi, K. et al. The genetic architecture of fibromyalgia across 2.5 million individuals. Nature Medicine, 28 juli 2026.
Aanvullend: Magen et al., Endocrine Comorbidities in Fibromyalgia, Clinical Endocrinology, 2026.



